Op ondoorgrondelijke apparatuur ploegt men enkel vorsend. De blik op spieren, strakke outfit, loden ringen torsend. In een opgepompte sfeer prijkt op mijn knie een vlek. Ik kijk bedremmeld om me heen. Is dit de juiste plek? Op schermen kijft men knauwend om een prijzig bruidsgewaad. Ik trek aan iets wat nimmer loskomt. Zie, dat
Het zijn grote gevoelens die tot dichten noden. Verlangen, verlies, vertwijfeling, ontketent Zutphen dat in mij? Het stiefkind, dat wij gnuivend doorkruisten, minachtend een dorp genoemd, te klein voor toekomstdromen. Waar een wereldstad glans verleent aan ieder die zich daar verschanst Al hangt men in de grote stad, voortdurend op de bank. Al is het
Lucht trilt van verwachting. Tree voor tree als schoolklas hemelwaarts. Stenen zuchten gekruld omhoog. Meisjes vlechten zich dooreen. Jongens kletsen over gevechten, gebroederlijk lopend, hand in hand. De toren geeft haar hoogte bloot. We zien de rode daken, het Koelhuis en de witte brug. De IJssel kaatst de zon terug. Een fietser in de diepte
Te koop De bakens van mijn jeugd Tuin met gele paardenbloem Waar broer van zei Als jij die eet, zal je onbedaarlijk lachen Mijn ongeloof was groot, maar toch Nog kauwend op het gele blad Kwam het besef Hij kletst maar wat Het witte bitter van de steel We lachten, onbedaarlijk veel Dagen, lang vervlogen
‘Is het nu vandaag?’ Ze huppelt voor me uit de tuin in.
Juist na een activiteit die in de verte wel iets met kinderen te maken heeft, maar waar je ze eenmaal geboren toch graag buiten houdt,


