Troost

Een tijdbom in een dierbaar hoofd. Wat moeten kinderen met dat onheil? Hoe kan ik ze troosten, denk ik bezorgd. Ondertussen troosten ze mij. Ieder op eigen wijze. Broertje gelooft in veel koekjes. Koekjes en knuffels. Voor hem, voor Opa, voor iedereen. Opa kust gretig terug. Spreken wil niet meer, maar zijn klapzoenen spreken voor zich.

Dochter vindt de thuiszorg maar niks.
‘Ik kan toch voor Opa zorgen,’ zegt ze kordaat. ‘Met mijn fietsje breng ik hem zo naar zee. Of naar het zwembad.’
Het bed bedient ze graag. Omhoog. Omlaag.
‘Ooh,’ roept haar patiënt baldadig. Hij kijkt alsof het extra spannend is, met haar aan de knoppen.

Zoon wil er niet over praten. Bang voor tranen, van mij of van hem. Maar de radertjes in zijn brein draaien op volle toeren.
‘Misschien,’ zegt hij peinzend, ‘bestaan we niet alleen hier, zoals we alles zien. Misschien bestaan we ook op manieren, die we niet kunnen zien en waar we niks van af weten.’
‘Wacht. Hier moet ik even voor gaan zitten. Wat zeg je me daar?’
‘We weten toch niet zeker of wat we zien ook alles is?’
‘Nnee,’ zeg ik, nog tastend in het duister naar de clou van zijn verhaal.
‘Dan weten we ook niet of een mens tegelijkertijd op andere plekken leeft, die voor ons onzichtbaar zijn.’
‘In andere dimensies?’
‘Wat zijn dat?’
‘Een duur woord voor onzichtbare plekken.’
‘Ja, dat.’ Hij ijsbeert door de keuken. ‘Als je hier dood gaat, kan het best zijn dat je in die andere dima, di… nou ja, dat ene, gewoon doorleeft.’
‘Wat een mooie gedachte. Zou je willen dat het zo was?’
‘Willen, willen. Wat maakt dat nou uit? Het is een gedachte. Ik weet toch niet of het waar is.’ Ik, onnozelaar. Alsof ik een domme vraag stel in een volle collegezaal.
‘Het kan ook,’ vervolgt hij, ‘dat je niet ergens anders doorleeft, maar dat alle dima, di…, dat dus, samenkomen in de hemel.’

‘Wellicht.’
‘We weten het niet, hè. Niks weten we.’
Niets. Nee. Niets.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *