Op ondoorgrondelijke apparatuur ploegt men enkel vorsend. De blik op spieren, strakke outfit, loden ringen torsend. In een opgepompte sfeer prijkt op mijn knie een vlek. Ik kijk bedremmeld om me heen. Is dit de juiste plek? Op schermen kijft men knauwend om een prijzig bruidsgewaad. Ik trek aan iets wat nimmer loskomt. Zie, dat

Lucht trilt van verwachting. Tree voor tree als schoolklas hemelwaarts. Stenen zuchten gekruld omhoog. Meisjes vlechten zich dooreen. Jongens kletsen over gevechten, gebroederlijk lopend, hand in hand. De toren geeft haar hoogte bloot. We zien de rode daken, het Koelhuis en de witte brug. De IJssel kaatst de zon terug. Een fietser in de diepte

Zand schuurt Tranen kraken droog In de branding -hoe cliche- Wiegen witte rozen mee Gooit iemand boos Zo’n bos in zee? Het moet Ze horen nu bij jou Rozen in een zee van rouw In knop In bloei Verwelkt Te snel… Einder oneindig Vlagen van wind Jij bent Aanwezig In Afwezigheid

Een was, een plas, een traan, een boer. Een plein vol vrouw, een arm vol kroost. Een hoofd vol waas, een zoon vol traag. Een kind met wil. Een vuur van vraag. Morgen evenals vandaag. Een maal vol strijd. Een woord zo lief, zo lief, zo zacht en toch zo boos naar bed gebracht…