Mai pen lai

Het beloofde een groot avontuur te worden. De mannen hadden petten op en stoere legerbroeken aan. Met walkie-talkies hielden zij contact met elkaar. Om de zoveel tijd parkeerden ze de jeeps in de berm, zodat één van ons op de motorklep kon plaatsnemen om voor een foto te poseren.

Die Thaise bergen waren wel zo ongelofelijk mooi. Ik werd er stil van. Thai hadden daar geen last van. Die bleven overal lachen, zingen en flauwe grappen vertellen. We passeerden bergdorpjes met treurig kleine hutjes. Maar de mensen die erin wonen zagen er prachtig uit; gehuld in knalroze en blauwe weefsels en met de meest mooie sieraden. Pii Paiboen had een huis georganiseerd op de top van een berg; niets dan fluweelgroene bergen rondom.
De vrouwen trokken meteen de keuken in. De mannen zetten het op een drinken. Als westers meisje kon ik me wel onttrekken aan die scherpe rolverdeling. Thais koken kon ik niet. Drinken, liedjes zingen en grappen maken gingen me veel beter af. Zodoende zochten de leraressen, Teh, Mem en Boem al snel hun bed op nadat de keuken opgeruimd was, terwijl op de veranda de Mehkong whisky nog rijkelijk vloeide. Thillawit zong met een zeurend hoge stem in mijn oor. Chatsuwan keek me lodderig aan. Surin bekeek zichzelf nauwkeurig in een klein spiegeltje en vroeg Nok het even vast te houden toen hij een pukkel ontwaarde die om behandeling vroeg. Pii Paiboen bekeek alles tevreden.
Het contact met de leraren was altijd een mengeling geweest van grappen, soms flirterig, en een vaderlijke zorgzaamheid van hun kant. Lichamelijk contact is in de Thaise cultuur not done. Een stelletje dat hand in hand op straat loopt, wekt al opzien. Die vieze toeristen die openlijk zoenen op straat, zijn al helemaal vulgair. De preutse Thaise codes kwamen mij goed van pas. Zo kon ik feest vieren met mannen zonder me ergens druk over te maken.
Toch pakte een dikke leraar, wiens naam ik niet kende, opeens mijn hand. Daarmee overschreed hij een grens. Een Thaise grens, die ook de mijne was geworden. Hij vouwde mijn hand open. Het zweet brak me uit. Wat moest ik doen? Weigeren mee te werken en de pret bederven? Kon dat op een fatsoenlijke manier? Wat deed ik hier eigenlijk met vijftien Thaise mannen op een berg? Hij keek me dronken aan en begon een verhaal in het Thais. Mijn hand hield hij dicht bij zijn gezicht. Soms streelde hij mijn handpalm. Toen Nok bijsprong voor een kleine vertaling, werd me duidelijk dat die dikke een slim excuus had voor het in beslag nemen van mijn hand. Hij kon de toekomst voorspellen. Die zag er rooskleurig uit; veel reizen, een baan bij de VN en op mijn achtentwintigste zal ik trouwen met een man zonder haar. Ik zou echter voorzichtig moeten zijn met mijn gezondheid.
Er was me al vaker ongevraagd de toekomst voorspeld en altijd begonnen ze over mijn gezondheid. Toen ik dit vertelde, kreeg Chatsuwan plotseling veel medelijden met me. Tot nog toe leek hij tot niet veel meer in staat dan lodderig kijken. Nu stond hij plechtig op, knoopte zijn opzichtige hawaibloes open, knielde voor me neer en toonde zijn borstkas. Gegeneerd keek ik naar zijn aandoenlijke spierbundels, maar kon ook niet meer wegkijken. Zijn tepels stonden net iets te dicht bij elkaar. Daar, tussen een aantal zorgvuldig gekoesterde borstharen, hing een prachtig amulet. Een zilveren kastje, ingelegd met heldere kleuren en achter het glaasje een afbeelding van Boeddha in zandsteen. Hij nam het amulet in beide handen, maakte een religieus gebaar, deed de ketting af en hing deze om mijn nek. Chatsuwan sprak geen engels, maar het was duidelijk dat hij wenste dat Boeddha mijn goede gezondheid zou beschermen. Heel lief allemaal, maar hoe kon ik zo’n duur sieraad van een wildvreemde, dronken man aannemen? Ik probeerde het terug te geven. Maar ook de volgende dag, toen hij weer ontnuchterd was, wilde hij daar niet van weten. Stiekem was ik er wel blij om. Zo’n mooie ketting had ik nog nooit gehad.

Of het de kracht is van Boeddha, of het lieve gebaar; ik voel me veilig als ik het draag. Het moet wel een bijzonder amulet zijn, want iedereen zegt er wat over. Op straat komen mensen zomaar op me af, willen weten hoe ik eraan kom en groeten de Boeddha om mijn nek met een nederig gebaar. Sommigen houden hun blik steeds op mijn borsten gericht. Dat voelt ongemakkelijk, tot ik besef dat ze naar Boeddha kijken. Of toch niet?

Pia, een vriendin van Teh was laatst op school en vertelde dat ze kanoede op de Mae Ping rivier; een brede modderige rivier die door Chiang Mai loopt. We besluiten samen te gaan en sindsdien kanoen we geregeld dwars tussen de palmbomen, bananenbladeren, tempels en armetierige huisjes op palen door. Vanaf het water zijn de grote verschillen tussen arm en rijk pijnlijk zichtbaar. Op de rechteroever prijkt een villa met zwembad. Op de linkeroever staan golfplaten hutjes.
Pia is vrolijk, piepklein en woest interessant. Ze studeert voor haar Master degree in Noord Thaise literatuur en heeft verhalen geschreven over de cultuurverschillen tussen Thai en farangs (westerlingen), gebaseerd op haar huwelijk met een fransman. Omdat zij het ook van een andere kant bekijkt (of vergelijkingsmateriaal heeft) kan ze heel veel uitleggen over de Thaise cultuur. Allerlei dingen die me al wel opgevallen waren, krijgen ineens betekenis. Ze is een ongelofelijke kletsmajoor en ze mist haar man, dus we brengen veel tijd met elkaar door.
Na het weekend in de bergen zie ik haar weer bij de aanlegsteiger. Zij steekt net boven de kano uit en komt giechelend op gang. Ik probeer mijn grote blanke lijf ook in een kano te wurmen en doe mijn best om haar in te halen. Ze haalt uit met een peddel en ik krijg een grote plens water over mij heen. Giebelend zitten we elkaar achterna. Ik vertel over het weekend in de bergen en laat het amulet zien. Pia bekijkt het aandachtig en denkt dat het heel veel waard is. Ze begint me ermee te pesten dat het een verlovingsgeschenk is. “Een verlovingsgeschenk? Dan had ik toch wel meer gemerkt van Chatsuwan? Trouwens, ik geloof dat hij getrouwd is en een dochtertje heeft…” “Jaa,” zegt Pia, “dat zal wel, maar zo’n kado krijg je niet zomaar…”

De weken daarop zag ik de gulle gever haast nooit meer. Maar laatst kwam hij het kantoortje van de leraren engels binnen met een pakje Chinese thee. Uiteindelijk begreep ik van hem dat hij die thee graag met mij wilde nuttigen in zijn automonteurlokaal. Daar, tussen de ingewanden van auto’s, beginnen we nu de dag met thee uit piepkleine drakenkopjes. Een student holt met nederig gebogen hoofd met heet water heen en weer. Een ander haalt broodjes. En zo laten we ons vorstelijk bedienen, terwijl de andere studenten nieuwsgierig naar binnen gluren. Het hele tafereel voltrekt zich in stilte. We spreken elkaars taal niet. En als dat wel zo zou zijn, dan hadden we elkaar misschien ook niet zoveel te melden. Af en toe kijkt Chatsuwan me glunderend aan. Ik glimlach beleefd terug. We proosten met het kopje thee.

Ik zit hier in huis bij Preeyalak, die zich als een overijverige pleegmoeder over me ontfermt. Ze kookt steeds lekkere hapjes, geeft me kadootjes en sleurt me van de ene tempel naar de andere. Prachtig, die tempels in rood en goud beschilderd, maar als je er tien gezien hebt, kan je je bij de overige vijfenzeventig ook wel wat voorstellen. Verder brengt ze me bij hoe ik mij als een Thaise dame dien te gedragen. De grote Hollandse passen moeten verruild voor Thaise trippelpasjes. De reizigerssandalen moeten plaats maken voor tenenslopende muiltjes. Een handtas, een gepoederde neus, een jurk met roze klaproosjes en een gouden gesp op de borst maken het geheel af. Ik heb er nog nooit zo truttig uitgezien, maar dit is geheel volgens de suikerzoete Thaise dresscode. Mijn dagen bestaan uit vroeg opstaan, zorgvuldig bedenken hoe ik mij op zijn tuttigst kan kleden en me de hele dag op een kantoortje zenuwachtig maken voor de enkele les die ik per dag geef. Soms komt er in de middag iemand binnen die mij meedeelt dat ik mee uit eten ga of een ander uitje voor me in petto heeft. Vaak ook, word ik gewoon in een auto gezet en meegenomen en komt niemand op het idee om mij te vertellen wat de plannen zijn voor die avond. Preeyalak weet wel altijd precies waar ik geweest ben en met wie. Nu blijkt dat iedereen haar toestemming vraagt om mij mee te nemen. Met haar permissie kunnen ze mij gewoon meesleuren. Mijn Hollands onafhankelijkheidsgevoel komt daar een klein beetje tegen in opstand. Maar ach, ze sleuren me altijd mee om me te fêteren, dus laat ik me maar gedwee overgeven aan de Thaise cultuur.

Het is zondagochtend zes uur en snikheet. De ven snort. Krekels en kikkers proberen met een oorverdovend lawaai mij ervan te overtuigen dat ik echt in de tropen ben. De gekko’s lopen door mijn bed, maar ik ben bereid dat te negeren omdat ik nog heel veel zin in slapen heb. Beneden hoor ik Preeyalak met iemand praten en ik soes weg. Ik word weer wakker van een irritant geklop op mijn deur. Negeren lijkt me de beste methode, maar daar staat Preeyalak al naast mijn bed. Snel trek ik het laken over mij heen. Het is misschien niet volgens de Thaise dresscode, maar s’nachts doe ik geen decent nachtgewaad aan in die snoeiende hitte. Toch had ik nu gewenst dat ik me ook in bed aan de kledingvoorschriften hield, want achter Preeyalak zie ik Chatsuwan staan. Hij kijkt begerig naar de plek waar net nog geen laken lag.
“Merel, je gaat vissen,” deelt Preeyalak mee en ik weet dat er niets anders op zit dan me aan te kleden en mee te gaan.

De autorit lijkt een eeuwigheid te duren. De meest mooie natuur trekt aan me voorbij. In de verte glanzen bergen in het gouden ochtendlicht. In de auto heerst een ongemakkelijke stilte. Uiteindelijk stoppen we bij een dam, ver van de bewoonde wereld. Een brede rivier mondt uit in een meer tussen de bergen. Het klinkt idyllischer dan het is, want rondom het water ligt louter gele modder, zo ver het oog reikt. De loodgrijze lucht maakt het er niet vrolijker op. Er staat nog een auto waaruit twee mannen met vishengels stappen. Een dikke met een wit regenjasje. De ander in een paars nylon joggingpak. Ik herken ze vaag van school. Opgewonden lopen ze op ons af en beginnen een lang verhaal in het Thais. Ze zwaaien met hun hengels en kijken zo nu en dan schalks naar mij. Ik krijg het vermoeden dat de engelse taal mij niet van dienst kan zijn vandaag.
In de gele blubber ligt een bootje. De mannen laden een picknick in; vier flessen whisky, bier en een pakketje kleefrijst. De hengels, niet veel meer dan bamboestokjes, passen precies op de bodem van de boot. Na veel wijzen en gebarentaal, begrijp ik dat het de bedoeling is dat ik op de voorsteven van het bootje plaatsneem. Alles wiebelt gevaarlijk als ik vanuit de blubber in de boot probeer te komen en dat zorgt voor grote hilariteit. Chatsuwan zwengelt de motor aan en zodra we in beweging zijn, wordt de eerste fles whisky aangesproken.
Midden op het meer laten we de hengels te water. Alles is zo doods om ons heen dat de vissen vast ook al lang het leven hebben gelaten. Voor de vorm blijven we even naar de dobber staren, maar varen dan verder naar een zijarm van het meer. Daar, tussen de dode bomen en de modder, blijkt een stoffig rieten hutje te staan dat half over het water hangt. We doen er ons te goed aan de lunch en de drank vloeit rijkelijk. Met handen en voeten vertellen we leuke verhalen, die vooral leuk zijn omdat het iedereen volstrekt onduidelijk is waar we het over hebben. De enige woorden engels die de mannen kennen, komen uit de bekende Amerikaanse liedjes. Daar waar gebarentaal tekort schiet, wordt luidkeels een lied ingezet en al snel schallen de dronkemansliederen over het meer.
Op de terugweg, midden op het grote meer, heeft de motor geen zin meer. We waren wat sloom onderhand, maar dit zorgt voor groot plezier. We hebben maar één lullig peddeltje. Chatsuwan neemt het ter hand en stuurt ons daarmee in kleine cirkeltjes. Het begint te regenen, en hoe meer rondjes we varen, des te meer verzoeknummertjes ik moet zingen. Vissers aan de oever staan ons hartelijk uit te lachen.
Uiteindelijk neemt de dikke in het witte regenjasje de peddel over en stuurt ons behendig naar de waterkant. Eenmaal aan land, zak ik tot mijn knieen in de modder. Chatsuwan begint aan me te trekken en met een zuigend geluid kom ik weer los. Hard lachend wijst hij naar mij en zegt: “Nong Saa” en vervolgens “Pii Chai” met de vinger op hemzelf gericht. Mijn Thais is net toereikend om te begrijpen dat hier een broederband wordt gesloten. Ik ben het jonge zusje en hij de oudere broer.
Chatsuwan wil me graag zijn huis laten zien en even douchen voordat hij mij thuis zal brengen. Ik ben onderhand gewend om weinig inbreng te hebben in de gang van zaken en vind het allemaal best. Na een eeuwigheid in de auto begin ik me af te vragen wat het nut is van deze actie, we begrijpen elkaar echter volstrekt niet. Als we ergens wat eten, tekent Chatsuwan op servetjes de route die we afleggen. Hij blijkt dertig kilometer buiten Chiang Mai te wonen. We waren al door Chiang Mai gekomen en rijden dus zestig kilometer heen en weer om een douche te nemen. Ik probeer het Chatsuwan uit zijn hoofd te praten, vraag of hij me niet meteen naar huis kan brengen. Hij lijkt er niets van te begrijpen en rijdt stug door. Steeds verder weg van Chiang Mai, van Preeyalak en van alles wat me vertrouwd is…

Ergens, diep in de bossen, komen we bij zijn huis aan. Ik zeg dat ik graag zijn vrouw en dochtertje wil ontmoeten, maar ook dit lijkt hij niet te begrijpen. Ze zijn nergens te bekennen. Chatsuwan plant mij op een bank, wil dat ik zijn stereotoren bewonder en zet heel lelijke pianomuziek op. Dan verdwijnt hij.
De tijd verstrijkt langzaam. De regen klettert op het golfplaten dak. In de verte klinkt het geklater van een douche. Het begint donker te worden. De muziek speelt en ik voel mij niet op mijn gemak. Wat doe ik hier? Wat zou ik moeten zeggen als zijn vrouw binnen komt? Waar is die eigenlijk?
Ik schrik op van de deur die open gaat. Het is Chatsuwan met nat haar. Hij heeft een handdoek en een bundel kleren bij zich. Ik zeg dat ik thuis wel kan douchen, maar hij geeft me de spullen en duwt me de badkamer in. De ruimte is omgeven door een bakstenen muur die niet tot aan het plafond doorloopt. Op de deur zit wel iets waaraan ik kan draaien, maar het functioneert niet echt als slot. Ik doe mijn modderige kleren uit en geniet van het warme water op mijn lijf.
Ineens realiseer ik me dat Chatsuwan vast naar me gluurt. Hij zou toch niet helemaal voor niets zestig kilometer zijn omgereden? Behoedzaam ga ik op mijn tenen staan om boven de bakstenen te kijken. Niets. Overal ontwaar ik ineens gaten, kieren en ventilatieroosters in de muur. Overal kunnen ogen gluren. Ik zie ze niet, maar voel ze wel. Steeds zekerder ben ik ervan dat hij dat blanke grote lijf van mij wel eens bloot zou willen zien. Snel droog ik me af en trek de kleren aan die hij me gaf. Zouden die van zijn vrouw zijn? Chatsuwan zit op de bank alsof er niets aan de hand is. Hij laat me zijn slaapkamer zien. Ik zeg beleefd dat het een heel mooie slaapkamer is. Hij spuit me vol met parfum, we drinken thee en ik geef te kennen dat ik wel weer naar huis wil.
“Homesick?” vraagt hij.
“Yes, I miss Preeyalak very much.”

In de auto komt Chatsuwan zo dicht bij mijn been tijdens het schakelen, dat hij zijn hand maar even op mijn knie laat rusten. Ik probeer me er onderuit te wurmen. Hij pakt mijn hand en kust die. Ik beroep me op de broederband, die we eerder die dag hebben gesloten.
“Nong Saa, Pii Chai”  Hij zal het woord ‘incest’ niet begrepen hebben, maar hij begrijpt wel dat ik geen minor wife wil zijn.
Ook goed – wegens gebrek aan kennis van elkaars taal, zingen we maar wat:
“Countryroad take me home to the place where I belong…”

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *