Liedjes van Verlangen

Bestond er een kampioenschap voor, dan zou Zoon (5) de onbetwiste winnaar zijn. Met grote creativiteit voegt hij iedere avond een nieuw Liedje van Verlangen toe aan zijn toch al omvangrijke arsenaal. We beginnen met de meest voor de hand liggende.
‘Nog één knuffeltje,’ terwijl ik al halverwege de trap was. Dan fluistert hij in mijn oor dat ik de liefste ben.
‘Tot de maan en weer terug.’ Daar trap ik natuurlijk glansrijk in. Hij houdt me in een liefdevolle houdgreep, waaruit ik mezelf alleen met een beetje geweld kan bevrijden. Vervolgens houdt hij koortsachtig het gesprek gaande. Zolang ik er geen ‘welterusten’ tussen krijg, weet hij dat ik bij de deur blijf dralen. Uiteindelijk roep ik het er gewoon doorheen en maak dat ik wegkom. Soms werkt dit even. Maar nooit lang.
‘Een slokje water.’
‘De deken ligt niet goed.’
‘Waar is mijn knuffel?’
Allemaal Belangrijke Zaken waarvoor ik mij apart weer naar boven moet begeven.

Dan komt zijn belangrijkste troef. Naar de WC. Daarmee valt zo een half uur te rekken. Hij heeft zijn inwendige organismen zo getraind dat rond deze tijd zijn stoelgang ook pas echt op gang komt. Daar kan ik dus niets tegen in brengen. Hij heeft echter nog meer wapens in de strijd, waar ik hem inmiddels hard om uitlach, maar die bij een oppas nog wel eens willen werken.

Zo heeft hij laatst met mijn vader nog een restje fondue gegeten, lang na bedtijd. Een kwartier later een banaan. Nog wat drinken (fondue maakt dorstig). Tegen tienen riep hij mijn vader er weer bij. De was hing nog buiten. Dat kon toch de bedoeling niet zijn. Opa en kleinzoon trokken de tuin in en ontdekten dat de was ook nog niet droog was (huisvrouwelijk onvermogen mijnerzijds).

Gisteren zat ik lijdzaam te wachten terwijl hij voor de zoveelste keer op de plee zat. Stadia van woede, sancties en tranen lagen ver achter ons. Langzaam voelde ik alle leven uit me weg stromen.
‘Jongen. Wil je mij naar bed brengen?’ vroeg ik hem.
‘Maar ik kan nog niet lezen,’ bracht hij daar tegenin.
‘Ik kan ook zonder verhaaltje.’
‘Ik kan je niet naar bed tillen, hoor,’ waarschuwde hij.
‘Nee, lopen moet net nog wel lukken.’

Het was even stil.
‘Maar wie brengt mij dan naar bed?’
‘WIL je naar bed?’ vroeg ik verbaasd.
‘Ja!’ met een snik in zijn stem. Eens (en nooit weer, waarschijnlijk) ging hij gedwee naar boven.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *