Koekjes

Mijn grote, sterke vader. Fluitend fietst hij van hot naar her. Liefst met een kleinzoon voor, en een kleinzoon achterop.
Ineens rolt hij een paar keer ondersteboven. Zijn been sleept. Het woord muesli zit klem in het doolhof van zijn hoofd. Mij noemt hij bij mijn moeders naam.

‘Gaat Opa ons voorlezen?’ vragen de kinderen verheugd. Ze kruipen tegen hem aan op de bank, maar de woorden komen niet zoals ze bedoeld zijn. Pluk en zijn kraanwagen krijgen geen vorm. Het klinkt alsof hij in tongen spreekt.
‘Nee, zo niet. Ik snap er niks van!’ Ze protesteren verbaasd.
Hij houdt stug vol, tot het protest hem overstemt.
Ik slik mijn tranen weg en neem het boek van hem over.

Misse boel.

‘Er zit ijs in mijn fietstas voor de kinderen,’ zegt hij monter, als we hem de volgende ochtend bij de huisarts treffen. Wachtkamers, ziekenhuizen, onderzoeken, uitslagen.
Het ijs zal inmiddels een plasje zijn.
We horen waar we het meest bang voor waren.
‘Niet schrikken, Merel,’ zegt hij troostend. ‘Het hoort bij het leven.’

Een broeder komt aangeklepperd op witte klompen. Hij rijdt een groot ziekenhuisbed voor. Bevrijdend galmt een bulderende lach door de gang.
‘Je denkt toch zeker niet dat ik daarin ga liggen?’ Het leven is eindig, maar lopen zal hij zelf. ‘Willen jullie erop rijden?’ vraagt hij de kinderen pesterig. Ze durven niet.

Opmerkelijke optocht door het ziekenhuis: een bed, een beteuterde broeder, lacherige man, bedrukte dochter, kleinzoons met petjes en een dartel meisje met blonde krullen.

Bij de intake weet Broertje hoe het verder moet. Na de vraag of meneer zich aan een bepaald dieet houdt, wendt hij zich serieus tot de broeder:
‘U moet Opa vooral veel koekjes geven. Dat eet hij het liefst.’
Koekjes. Ja. Dat zal het beste wezen.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *