Inconsequent

Zoon zingt. Vanaf zijn eerste jaar zo’n beetje. Zijn voorkeur gaat uit naar klassiek of carnavalskrakers. Dat lijkt heel gezellig, maar het gaat hier meestal om een deuntje dat irritant lang in je hoofd blijft hangen. Hij zet er een hoge stem bij op en houdt het bij een paar maten, die hij met groot uithoudingsvermogen herhaalt. Als een oude LP met een fikse kras erop.

Als Broertje zijn woede ventileert over het één of ander en Zusje luidruchtig tranen plengt omdat ze haar zin niet krijgt, zorgt Zoon dat zijn deuntje een tandje harder gaat. We zouden zomaar een paar maten mis kunnen lopen.

Rond etenstijd komen er vrij veel zaken samen. De één blijkt zeer verknocht aan een bepaald bordje, de ander vertikt het om met bestek te eten en weer een ander is sowieso niet van plan om een hap te nemen van het afschrikwekkende voedsel wat Moeder heeft gewrocht.
‘Wat een lekker eten, hè,’ roep ik. Ik neem toch graag een compliment in ontvangst voor mijn inspanningen in de keuken, al is het dan maar van mezelf.

Boven dit alles uit klinkt Het Deuntje van de dag. ‘Jan, Jan, dubbele Jan, waar zijt gij heen gevaren. Jan, Jan. Waar zijt ge heen gegaan.’ Inhaken en meedeinen.
Mijn vuist landt op tafel. We gaan vijftig jaar terug in de tijd. ‘Mond houden en eten, anders word ik waanzinnig.’

Een geluidloos vacuüm. De lippen stijf op elkaar. Zoon houdt zijn adem in. Ik probeer te genieten van de stilte, maar de tafel zindert ingehouden en in mijn hersenpan heeft Het Deuntje zich vastgehaakt. Ik neem een paar happen, maar proef niks. Er zit iets in de weg. Allesoverheersend aanwezig. Het piept. Het fluit. Het wil eruit.

Dan barst het los. Zonder dat ik het zelf door heb. ‘Jan, Jan, dubbele Jan, waar zijt gij heen gevaren. Jan, Jan. Waar zijt ge heen gegaan.’ Opgelucht haken de anderen in.
Fijn, om inconsequent te zijn.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *