Gestampte muisjes

Ik probeer me nog achter het groenteschap te verschuilen, maar er is geen ontkomen aan. ‘Wat heerlijk, je hebt een buikje!’ Met opengesperde armen komt Irma op ons af. Een zachtgeel gewaad fladdert om haar heen en geeft de indruk dat ze door C1000 zweeft. Ze heeft zo’n leuke schuine bob-line. Links kort haar en rechts tot over het oor. Op haar gezicht een gelukzalige glimlach die ik met een bovenmatige krachtsinspanning probeer te beantwoorden. ‘Dat Uriel daar toch nooit wat over gezegd heeft.’ Ik begrijp heel goed dat mijn vroegere klasgenoot zo min mogelijk met zijn moeder deelt. Ze legt beide handen op mijn buik. ‘Wanneer gaat het grote wonder gebeuren?’
‘Volgende week ben ik uitgerekend, dus het kan maar zo komen,’ antwoord ik. ‘Wat fantastisch! Hoe ga je de bevalling doen?’ Ze begint mijn buik een beetje te masseren.
‘Nou, eh…’ Ik doe een stapje achteruit. Haar uitbundige oorbellen zwiepen. ‘Je moet er geen dokter of vroedvrouw bij laten. Toen ik van Uriel beviel heb ik dat nog wel gedaan, maar dat verstoort de harmonie. Een kosmische bevalling, dat is het beste.’ Mijn vriend kijkt bezorgd.
‘Sterre’s geboorte was echt heerlijk.’ Haar ogen beginnen te stralen. ‘Ik ben toen met twee vriendinnen naar een huisje in Frankrijk gegaan. We hebben overal kussens op de grond gelegd. Kaarsjes aan, Indiase muziek, een grote pot thee. Sterre wilde niet meteen komen. Weet je wat helpt om de weeën op te wekken?’ Ik ben bang dat ik weet wat ze bedoelt. ‘Tonic?’ probeer ik laf. ‘Nee joh, een orgasme. En het helpt echt hoor.’
Uit alle macht probeer ik me er geen voorstelling van te maken. Irma blokkeert met haar winkelwagentje de doorgang. Achter haar begint zich een kleine opstopping te vormen, maar ze lijkt niets door te hebben. Onverstoorbaar vervolgt ze haar verhaal. Het aantal toehoorders groeit.
‘Ja, ik raakte in een soort trance en daar was ze ineens. Mijn kleine lieve Sterre. Zo mooi, zo teer. Alleen kwam de placenta er niet vanzelf achteraan. De ene vriendin had het kind gehaald. Dus ik zei tegen de andere vriendin: ‘Nou mag jij de moederkoek halen’. Dus zij trekken aan de navelstreng…’
‘Aarch!’ Mijn vriend maakt een sprongetje van ellende. Hij is zo iemand die graag aardig gevonden wil worden, niemand tegen de borst wil stuiten. Ik zelf ben zo mogelijk nog erger. Maar nu roept hij luid en duidelijk: ‘Ik wil het niet horen!’ en beent weg. Verontschuldigend snel ik achter hem aan.

Wat hadden we nou alweer nodig? Eieren, koffie, soep… Shit, daar loopt ze weer, dan maar geen koffie. Zal ik kippensoep of tomatensoep nemen?
‘Wat ik nog wilde zeggen is…’ Gewoon doorlopen, doen alsof ik heel druk ben. ‘…dat het heel belangrijk is om positieve verhalen te horen over bevallingen. Bij mijn bevalling van Aura bijvoorbeeld…’ Nee, ik geloof dat ze een stuk of vijf kinderen heeft. Ik versnel mijn pas. Mijn buik wordt hard. Ik ren de winkel uit. Dan maar geen boodschappen. Mijn vriend was me voor. In de auto hijg ik uit: ‘Eén ding is zeker. Ik wil geen kosmische bevalling.’

Baby slaapt. De kordate kraamverzorgster sjort aan hem om hem wakker te krijgen. ‘Mammie heeft lekkere melk voor jou.’ De boel is aan kant. De handdoeken zijn gestreken. Uit de badkamer walmt chloor. Nu moet Baby drinken. Ze houdt Baby bijna op de kop. Dat schijnt de beste methode te zijn. ‘Wakker worden, ventje!’ Haar rug is kaarsrecht in het gesteven uniform. De broek van het uniform heeft ze thuisgelaten. Dat werd allemaal maar vies hier in het buitengebied. ‘Bij mammie is het kermis. Het is weekend. Misschien zit er wel slagroom op, vandaag.’
Het is jammer dat ze geen wit kapje op heeft.
Mijn borsten staan op springen. Doen me denken aan de uiers van een geit die gemolken moet worden. Ik moet ook gemolken worden, maar Baby krijgt het niet voor elkaar. Een pomp moet dit op gaan lossen. Mijn borst in een plastic dop. De pomp piept. Een meneer die op kraambezoek is, blijft gezellig naast me op de bank zitten. Vertederd kijkt hij toe hoe er een paar druppels geel vocht uit mij geperst worden. Iemand anders legt het vast op de gevoelige plaat. De gele smurrie gaat in een spuit en de verse pappa mag dat aan Baby voeren.
Baby wil niet.
Baby is geel, wil slapen, wil met rust gelaten worden.
Gelijk heeft ‘ie.
Ik wil dat ook, maar dat schijnt er niet bij te horen als je net een kind gebaard hebt.

Verlangend kijk ik naar buiten. Een dikke merel hipt door het gras. De lucht hangt grijs en zwaar boven de bomen. Kale takken wuiven in de wind.
Laat de kraamhulp en de visite die jonge moeder melken. Als ik maar even weg mag kruipen in de armen van mijn lief.
Vrijen tot dit weer voorbij is.
Tot mijn hoofd weer leeg is.
Tot mijn lichaam weer van mij is.
Vrijen tot mijn doos weer blij is.
Maar een dokter met een leesbril heeft op die plaats een borduurwerkje gemaakt.
Van kont tot kut met kruissteekjes aan elkaar genaaid.

Als er even geen bezoek is, gaat doorlopend de telefoon. Voor mijn gevoel wandelt er één
grote onafgebroken stoet mensen door mijn bed. Ik vang een telefoongesprek op.
‘Ja, dankjewel.’ …
‘fantastisch hè’ …
‘Nou, het is een gekkenhuis hier, dus misschien’…
‘dus misschien wat later’ …
‘ja, nou ja’ …
‘ja, oke dan,’ …
‘tot morgen’ …

Ik maak net mijn voedingsbeha open als een buurman mijn slaapkamer binnenstapt.
‘Ja. Ik zag niemand. Dus ik dacht, ik loop maar even door. Hoe ging de bevalling?’
‘Nou,’ ik slik.
‘Joh, maak je niet druk. Die pijn ben je toch zo weer vergeten. Wist je dat vrouwen hun pijngrens kunnen verleggen? Mannen kunnen dat niet. Dan zie ik op televisie dat programma, eh, De Bevalling, ofzo. En dan zie je die vrouwen gillen. Dan denk ik, joh, verleg die pijngrens nou. Jullie kunnen dat. Gefeliciteerd trouwens.’ Hij buigt zich naar me toe. Zijn houthakkersbloes ruikt naar aftershave. Hij ademt zwaar. Baby begint te huilen en ik worstel om hem aan te leggen. Kussens hier, kussens daar. Spartelende Baby met zijn hoofd naar de tepel duwen. Meestal zijn we zo een half uur aan het vechten voordat hij beet heeft. Nu gaat het gelukkig wat sneller voordat ik het hevige steken voel van een mondje dat vacuüm zuigt. Buurman is gezellig op het bed komen zitten.
‘Hemels hè, borstvoeding. Bij Marianne spoot het eruit.’

Ik voel me hyper. Zoveel mensen, zoveel cadeautjes, zoveel liefde. s’Nachts maalt het door mijn hoofd.  Wat iedereen vond, dacht, deed en zei. Wat ik zelf vind en voel, past er niet bij. Voor ik het weet is het weer tijd voor de volgende sessie borstworstelen. Baby is uitzonderlijk zoet. Aan hem zal het niet liggen. Als ik tegen het ochtendgloren eindelijk even in slaap val, hoor ik de deur open gaan. ‘Hebben pappie en mammie lekker geslapen?’ De kordate kraamverzorgster steekt meteen van wal  met haar onafgebroken stroom aan informatie over baby’s, borsten, poep en baarmoeders.
Omdat zij er is sinds Baby er is, lijkt het soms alsof zij hem heeft meegenomen. Ze is gek op Baby. Iedereen is gek op Baby. En ik, als moeder, zou die liefde dan toch in de overtreffende trap moeten voelen. Ik vind hem wel een geinig mannetje. Hij heeft iets buitenaards. Alleen jammer dat hij zo ontzettend veel bezoek heeft meegenomen.

Ik zit even schuin op de pianokruk. Eindelijk tijd en nog een beetje puf. Mijn vingers raken voorzichtig de toetsen. Aftasten. Kan ik ook als moeder nog spelen? Vindt Baby dat goed? Reve van Poulenc rolt uit mijn vingers. De laatste toon resoneert ijl door de kamer. Ik kijk over de rand van de wieg. De jongen ligt heel zoet te slapen. Met een getuit mondje en een boertig nekje. Voor het eerst weet ik een paar tranen van geluk te produceren. Zo hoort het. Dit is wat ik wil voelen. Geef me de tijd. Dan wordt Baby vast wel Zoon. Een man, een huis, een vleugel en een kind, wat wil een mens nog meer? Trrring! Schel doorbreekt de telefoon de stilte. Een mens wil meer dan twee minuten om ervan te genieten.
In de verte hoor ik mijn vriend de weg naar ons huis uitleggen. Verdomme. Ik wil niet. Laat ze zelf een kind maken.
‘Dat was Irma. Ze begrijpt het heel goed dat we even geen bezoek meer willen. Ze heeft altijd vrouwenwerk gedaan en weet als geen ander wat een impact het moederschap heeft en hoe belangrijk het is om daar de tijd voor te nemen. Ze vindt je een wijze vrouw, dat je op dit moment in je leven zo goed voor jezelf opkomt. Ze wil een toverhazelaar geven die bloeit op Baby’s verjaardag. Maar ja, die moet in de lente geplant, dus ze komt morgen langs.’ Hoe krijgt ze het verzonnen. Welk een bijzonder invoelend vermogen voor zo’n spirituele vrouw.

Tussen de boodschappen liggen de ontwikkelde foto’s van de bevalling. Of net daarna? Geen idee in welk stadium er al foto’s zijn gemaakt. Ik draai eromheen. Ben nieuwsgierig, maar wil ze niet zien. Mijn vriend wel en over zijn schouder kijk ik toch stiekem mee. Een bebloed been. Een spartelend kind. Een ontredderde blik in mijn ogen.
De wereld draait. Ik grijp me vast aan de rand van de box, wankel naar de badkamer, adem vreemd snel. Overeind blijven nu. Een plens koud water moet helpen. Buiten slaat een autoportier dicht. Mijn hart bonst als een gek. Nog een plens water en ik moet weer toonbaar zijn.

‘Hallo! Ja, ik was al een keer geweest, maar mijn broer en zijn nieuwe vriendin waren ook zo nieuwsgierig. Je kent mijn broer wel, toch? En dit is Paulien.’ Prachtig, ik ben echt in de stemming om nieuwe vrienden te maken. ‘Ik had jullie gebeld, maar er werd niet opgenomen. Dus ik dacht, we komen zo wel even aanwaaien. Gaat het? Je ziet er een beetje vreemd uit.’
‘Nou,…’
‘Het lijkt me zo’n heerlijke tijd hè, die kraamtijd. Nog niet werken. Lekker genieten met z’n drietjes.
Heb je ook wat fris?’ Ik open de ijskast. Fris. Dat is iets wat normale mensen in huis hebben. Wij niet.
‘Is thee ook goed?’
‘Ja, nou ja, dat moet dan maar. Ik moet in ieder geval niet meer zoveel koffie drinken. Dan slaap ik zo slecht. Sowieso kost het me de laatste tijd wel een uur om in slaap te komen. Er is dan ook weer heel wat aan de hand hoor. Problemen op mijn werk. En wisten jullie dat ik laatst met mijn ex gesproken heb? Ja, het is wat hè. Maar dat vertel ik zo meteen allemaal wel. Mag ik hem nog eens op schoot? Is hij ook wel eens wakker? Vorige keer sliep hij ook al de hele tijd. Goh, hij heeft nog steeds dat klitje in zijn haar. Dat kun je er toch gewoon uit knippen?
‘Dat had gekund, ja,’
‘En dat gele spul in zijn oogjes, dat moet je met een watje met gekookt water schoonmaken. Van buiten naar binnen.’ Alsof ik dat niet weet.
‘Ik vind het heel fijn om jullie even te zien. Ik heb ook echt jullie raad nodig. Ik kom er maar niet uit of ik het nou uit zal maken met Martin, of niet. Ik ben niet echt verliefd, geloof ik. En ik kan zo slecht met hem praten. Eigenlijk luistert hij helemaal niet. Maar ja, we hebben het toch wel fijn samen. Toch reageerde hij laatst weer zo raar. Ik was naar de stad geweest en…’
Baby hangt hulpeloos in haar armen. Ze ondersteunt zijn hoofd niet eens. Ik glip naar de wc. Ik voel me uitgemolken, opengereten, platgewalst. Terwijl ik mijn plas laat lopen bedenk ik wie er allemaal nog niet geweest is. Zouden we zo’n beetje op de helft zijn?
De lente komt. Alles gaat bloeien. Met mooi weer kan het zwembad opgezet. Iedereen geniet daar zo van. Zo’n heerlijke plek. Mensen komen hier altijd helemaal tot rust. Kinderen schreeuwen in het water. Twee anderen pingelen op de vleugel. Iemand oppert dat ‘ie wel een beetje honger heeft. En dorst.
Het badkamerraam waait open. Oh ja, het huis is nog niet af. Een gure wind waait naar binnen. Ik ga op de wc bril staan, hijs mezelf op en wurm een been naar buiten. Au. Dit zijn geen bewegingen voor een kraamvrouw. Het andere been erbij en ik land op het bouwzand.
Met iedere stap maak ik meer vaart. Vrijheid geeft vleugels. Regen striemt koud in mijn gezicht. Een jas was geen overbodige luxe geweest. Maar ja, wie gaat er nou met een jas aan naar de wc? Terwijl ik het bos in ren, kijk ik nog een keer achterom.

Dag lief.
Dag huis.
Dag kind.

Dag jonge moeder.

 

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *