Dit is waar mijn ogen gaan. Hier rust mijn blik. Hier waaieren gedachten. Hier wiegen stammen in de wind. Ruimte, rust en eenzaamheid. Door lentezon bemind. Contouren van afwezigen zijn hier heel dichtbij. Ik zoek mijn weg, soms afgeleid, door ongebaande paden. Zolang de blaadjes flonkeren in kruinen hoog en vrij, mag de leegte ook

Er is geluid dat warm omhullen kan. Waar in één noot nog duizend variaties klinken. Je kunt het als een zachte deken om je schouders slaan. Je kunt erin verdrinken. Diep duiken in klanken. Onder het oppervlak is alles relatief. Als het van subtiel ineens volume wint. Als een stem de hele zaal kan vullen,

Het witte dons wat broeden wou zonder ooit een haan te zien. Venijnig breed op twintig eieren. Zoon smeerde haar een boterham met pindakaas, bezorgd dat ze niet eten zou. Plots is alles onbewaakt. Lentegroen. Lucht vol belofte. De roos verheugd beknopt. Daarachter, cyclus der natuur, het einde in twee delen.  

In luxe cadeauverpakking rijden we hem naar het zuiden. Gruizige resten van wat was. Wij dansen bevreesd om de bus. ‘Goh, zwaar,’ zegt neef en legt de link die ik niet denken wil. Zoon ziet begerig hoe de bus verknutseld kan. Het grijze stof staat mijlenver van het leven in mijn hoofd. Het is enkel

‘Vogels, toe, kan het wat zachter?’ Haar blote benen moeten bruin. Ik kreeg een verkreukeld ijsje. Binnen schalt het nieuws. Eén uur. Opa is gestopt met spitten, laaft zich aan het wereldleed. Mijn taak is nog de deken in het stopcontact. Zomer zal het wezen, maar haar slaapje moet verwarmd. Kusje in de volle zon.

Een met bloed besmeurde vlag. Weer is besloten dat het niet mag. Het staat zo ongezellig. Een volk geruisloos weggevaagd. Als Indonesië daarom vraagt. Het staat zo ongezellig. De vlag die Nederland zelf gaf. Symbool van hoop en perspectief, van ooit… gerechtigheid. Zodanig verboden in West Papoea, dat marteling en gevangenisstraf volgt op het enkel

Het was warm en aardedonker. Tropennacht zonder electriek. Op de veranda zongen studenten wachtend op een goed bericht. Vader was nog hulp gaan halen en ternauwernood op tijd om met zaklamp bijgelicht te zien hoe een leven begon. Krekels tsjirpten, kikkers kwaakten. Het Papoea lied was meerstemmig, maar zacht. Wat ik betreur, enkel geuren blijven

Dichter bij de Graafschap Gedichten van mijn hand in de boekhandel. Nachtegaal van Zutphen Lees meer Toi le souvenir, moi l’absence Lees meer Onvervreembaar Lees meer Massagraf Lees meer As In luxe cadeauverpakking rijden we hem naar het zuiden. Lees meer Pauzemeisje ‘Vogels, toe kan het wat zachter?’ Lees meer Moskee Een verre reis die