Afscheidsdroom

In de slaapkamer hangt al sinds tijden een rare sfeer. Zoveel hulptroepen, zoveel hulpbehoevendheid. De dokter loopt erin met zijn dokterstas. En die louche types met uitgestreken gezichten. Wie zijn dat eigenlijk? In mijn vaders ogen zie ik, dat hij weg wil. Hij doet alsof hij iets zoeken moet. Stapt uit het bed, waarin hij twee maanden verlamd lag te wezen en loopt de kamer uit.

‘Hee, hoo. Dat gaat zomaar niet,’ zegt de dokter.
‘Waar gaat dat heen?’ spreken de doodgravers, ‘we komen juist voor u, meneer. U moet gekoeld.’
‘Pas op, je kan niet lopen,’ roepen mijn moeder en ik. Struikelend over elkaars benen, rennen we achter hem aan. De dokter haalt een setje handboeien uit zijn tas.
‘Totaal onaangepaste man,’ zie je hem kribbig denken, ‘die zich niet normaal overgeeft aan de medische wetenschap. Denkt dat hij gewoon een eindje kan gaan fietsen.’

Op het terras achter mijn ouderlijk huis halen we hem in. Roepen bezorgd dat hij nog maar zo weinig kan. Hij moet gevoerd, gewassen, verschoond. De blik in zijn ogen zegt genoeg. Er bestaat een grens aan afhankelijkheid voor een onafhankelijke geest. Hij wil weer eens de hort op. Zonder zorgelijke verzorgenden.

Mijn vader loopt al voorbij de houtstapel. De houtjes die hij zelf hakte. Ik houd mijn adem in.
Nog één maal draait hij zich om, doet een stap in mijn richting en slaat zijn armen om mij heen.
‘Het spijt me,’ mompelt hij en huilt net zo hard als ik.

‘Ik begrijp het. Ik kan het wel begrijpen,’ zeg ik met een raar piepend geluid en verberg mijn gezicht in zijn trui.
Dan pakt hij zijn fiets en zwaait met een stoer gebaar zijn been over het zadel.
Slingerend verdwijnt hij, over het paadje rond het huis.

Voor het eerst wuift mijn vader niet naar mij.
Het is aan ons om hem uit te wuiven.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *